Navigeren met kaart en kompas

Kompas

Probeer de volgende onderdelen op je kompas terug te vinden. De vaste declinatieschaal heb je niet nodig omdat we in België geen rekening houden met de magnetische declinatie. 

Oriënteer de kaart

Je kan de kaart oriënteren in 3 stappen:

STAP 1: Draai de gradenring van het kompas tot de 0° gelijk staan met de index van het kompas.

STAP 2: Leg het kompas naast de linkse kaartrand zodat de richtingspijl van het kompas naar het kaartnoorden wijst.

STAP 3 : Draai de kaart met het kompas tot de kompasnaald naar de noordpijl van het kompas wijst. 

STAP 4: Bepaal je positie.

Zoek nu je positie op de kaart. Vergelijk hiervoor elementen die je op het terrein observeert met elementen die je op de kaart terugvindt. Het is mogelijk dat je verschillen ziet tussen het terrein en de kaart. Dit kan betekenen dat de kaart verouderd is, of dat je niet op de juiste plaats kijkt.

Wees daarom niet tevreden met één of twee herkenningspunten. Kijk bijvoorbeeld niet alleen naar een kapelletje maar ook naar een bocht in de weg, een brugje over een rivier of de plaats waar een naaldbos begint. 

Lukt het niet om je positie te bepalen omdat je te weinig elementen herkent, dan zijn er nog andere techieken die je kunnen helpen. Je zou met het kompas een kruispeiling kunnen uitvoeren, maar deze techniek is niet erg nauwkeurig en een beetje voorbijgestreefd. Je kan dan beter met een wandelgps of een wandelapp op je gsm je positie bepalen. Dat is eenvoudiger en nauwkeuriger.  

STAP5: navigeer met kaart en kompas

Navigeer nu de route die je met fluo stift op de kaart aanduidde. 

Vertrekken

Je kent je positie op de kaart. De kaart is correct georiënteerd. Je kan dus op de kaart aflezen in welke richting je moet vertrekken. Check of de richting van het pad dat je inslaat klopt met de richting van het pad op de kaart en ga op weg. Wees hierbij heel alert, de meeste navigatiefouten worden bij de start gemaakt. 

Positie en kaartoriëntatie

Blijf je positie op de kaart exact kennen. Hou je wijsvinger op het punt waar je bent en schuif deze mee op tijdens het stappen. Blijf je kompas gebruiken zodat je kaart altijd goed georiënteerd is. 

Afstanden meten

Gebruik ook afstanden om te navigeren. Meet op de kaart de afstand tot het eerstvolgende punt waar je van richting verandert. Dat is makkelijk als je de kaartafstanden uit het hoofd kent voor 250 m, 500 m en 1 km. 

Je kan op het terrein op twee manieren afstanden meten: je kan je stappen tellen of je kan de tijd opnemen.

  • Op moeilijk terrein stap je ongeveer 3 km per uur: 10 min = 500 m. 
  • Op makkelijk terrein stap je ongeveer 6 km per uur: 10 min = 1 km.

Als je bijvoorbeeld op moeilijk terrein over 500 m naar rechts moet afslaan, dan weet je dat je dit punt na 10 minuten moet bereiken.  

Checkpoints

Check regelmatig of je nog juist bent door markante punten op het terrein te vergelijken met de kaart: een brugje, een bocht in de weg, een steile helling in het reliëf.

Kijk niet alleen naar de punten die je verwacht, maar wees er ook alert voor als je een element observeert dat je niet verwacht had om hier te zien. Het kan erop wijzen dat je verkeerd bent gelopen.

En als het fout gaat

Als je echt niet meer weet waar je bent, dan is er maar één goede oplossing: keer op je stappen terug tot aan het punt waar je wel nog zeker was van je positie. Daar kijk je nog eens goed na waar je heen moest, je navigatiefout zal snel duidelijk worden.

Als je een gps gebruikt, bekijk dan het spoor dat je hebt opgenomen en vergelijk het met de route die je wilde volgen.

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑