Een kaart toont het terrein enkel horizontaal, vanuit bovenaanzicht, compact en schematisch. Je moet dus al een beetje ervaring hebben om het verband te leggen tussen de kaart en het terrein. Je zult merken dat je snel niet meer zonder een topografische kaart zult kunnen.
Of het nu is om je trektocht voor te bereiden of om je te oriënteren, je kaart helpt je altijd op weg en, in tegenstelling tot een gps of mobiele telefoon, laat een kaart je niet in de steek. Vergeet ook niet om een kompas mee te nemen om nooit het noorden te verliezen.
Er is overeengekomen dat het noorden zich bovenaan de kaart bevindt.
Je kunt de kaart correct oriënteren door ze plat voor je te leggen en te draaien om de elementen van het terrein af te stemmen op de cartografische symbolen.

Voor wandeltrektochten is de perfecte schaal 1/25 000. Dat wil zeggen dat 1 cm overeenkomt met 250 m, ofwel 4 cm voor 1 km. Je kunt er elk detail (waterstromen, bossen, paden, …) op zien en nauwkeurig bepalen waar je bent. Deze schaalverdeling is terug te vinden op de topografische kaarten Série Bleue en TOP25. Als je in de regen trektochten maakt, kies je voor de TOP25R-kaarten (“R” voor “Résistante”). Die kaarten zijn waterdicht, onverscheurbaar en aan beide zijden bedrukt om plaats te winnen in uw rugzak.
De kleurcodes begrijpen
De kleuren op de kaart zijn niet zomaar gekozen. Ze geven de aard van het terrein weer.

De 4 informatielagen

Het reliëf
Het herkennen van de terreinvormen (het reliëf) op een kaart is waarschijnlijk het moeilijkste aspect van het oriënteren. In Wallonië en Brussel gaat het om grote terreinvormen zoals heuvels en valleien. In Vlaanderen hebben wij eerder te maken met duinen. In het buitenland treft men vaak zeer complexe gebieden aan. Wat voor de een de ultieme uitdaging is kan voor de ander een echte nachtmerrie zijn. Hieronder enkele voorbeelden, van links naar rechts en boven naar beneden, steeds moeilijker. Laat je echter niet afschrikken, ook hier starten we bij het begin.

Hoogtelijnen

Wat is een hoogtelijn? Een hoogtelijn is een ingebeelde lijn die alle punten die op gelijke hoogte liggen, verbindt. Op de IOF-kaart worden ze weergegeven in bruine lijntjes. Het verschil tussen 2 opeenvolgende hoogtelijnen noemt men het gelijkhoogteverschil. Dit bedraagt meestal 2,5 à 5 meter.
De moeilijkheid met hoogtelijnen is dat zij op een blad een ruimtelijk beeld moeten weergeven. Aan de hand van de tekening zou dit duidelijk moeten zijn. Het terrein wordt als het ware in schijven gesneden (volgens het gekozen gelijkhoogteverschil). De vorm van deze schijven wordt dan op een plat vlak overgebracht. Dit noemt men dan de hoogtelijnen. Liggen de hoogtelijnen dicht bij elkaar, dan is de helling steil, liggen ze ver uit elkaar, dan is het een zwakke helling.
Hydrografie
Rivieren, beken, meren, moerassen, de zee, enz. zijn overal in het landschap aanwezig. Waterlopen zijn bovendien erg handig voor verdwaalde wandelaars om zich te kunnen oriënteren. De meeste dorpen zijn traditioneel langs een rivier gebouwd. Je moet dan enkel maar de rivier op- of aflopen om er te geraken.
Aangelegd door de mens
Zwart wordt gebruikt om gebouwen, wegen en paden maar ook administratieve grenzen aan te duiden.
Toponymie
Deze term verwijst naar de studie van plaatsnamen. Naargelang de nauwkeurigheid van je kaart kun je hier de namen van de kleinste dorpjes tot de grootste metropolen lezen. De bergtoppen en de bossen worden eveneens vermeld.
Referentiepunten
Deze gegevens zorgen ervoor dat je vaak op een bijzonder nauwkeurige manier kunt bepalen waar je je bevindt. In de cartografie vermeldt men alle natuurlijke en door de mens aangelegde referentiepunten op de kaart. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een bron, een kapel, een kruis, een bruggetje, een ruïne, een losstaande boom, enz.
Door de legende van de kaart te lezen, kun je eenvoudig bepalen over welk element het precies gaat.
Plaats een reactie